Vier astronauten van de Artemis II-missie zijn maandag bezig aan een historische verkenning van de maan op een afstand van circa 6.550 kilometer. Voor het eerst in de geschiedenis van de menselijke ruimtevaart krijgt een bemannd ruimtevaartuig zicht op delen van de maanoppervlakte die nooit eerder met eigen ogen zijn waargenomen.
De vier bemanningsleden zijn NASA-astronauten Reid Wiseman, Victor Glover en Christina Koch en de Canadese astronaut Jeremy Hansen. Koch liet weten dat de maan er vanuit het ruimteschip heel anders uitziet dan vanaf de aarde. "De maan die wij zien is totaal anders dan de maan die je vanaf de aarde ziet," aldus Koch.
Krater
Dat geldt in het bijzonder voor de Oriëntalebekken, een inslagkrater van bijna 1.000 kilometer doorsnede aan de grens tussen de voor- en achterkant van de maan. Dat gebied was nog nooit eerder gefotografeerd of direct waargenomen door mensen voor deze missie. De astronauten slaagden er al op dag drie van de vlucht in om die krater te identificeren via een camera met een 400-millimeterlens.
Wat het Artemis II-traject onderscheidt van de Apollo-missies heeft alles te maken met het tijdstip van lancering. De Apollo-programma's gaven bewust de voorkeur aan lanceringen waarbij de maan-voorzijde verlicht was, omdat dat ook de zones waren waar landingen plaatsvonden. De achterkant van de maan was op die momenten dan ook grotendeels in het donker gehuld. Artemis II heeft namelijk een unieke kijkhoek: het volledige maanschijf is in beeld.
Vanuit die afstand heeft de maan voor de bemanning de afmeting van een basketbal op armlengte. Toch is de wetenschappelijke waarde van de vluchtige blik groot. Zelfs op die afstand zijn kleurverschillen en textuurverschillen in het maanoppervlak zichtbaar voor het menselijk oog. Judd Frieling, vluchtdirecteur bij de missie, legde uit dat het menselijk oog zelfs op duizenden kilometers afstand details kan oppikken die van belang zijn voor onderzoekers. "Zelfs op 6.500 kilometer afstand zijn er nog dingen die het menselijk oog met fijne granulariteit kan oppikken die belangrijk zijn voor de wetenschappelijke gemeenschap," aldus Frieling.
Vulkanische activiteit
De wetenschappers hopen dat de bemanning kleurschakeringen op de nog nooit eerder bekeken delen van de maan kan signaleren. Tijdens de Apollo 17-missie in 1972 werd oranje grondstof op de maan gespot door astronaut Harrison Schmitt. Later onderzoek toonde aan dat die kleur het bewijs was dat vulkanische activiteit op de maan langer doorliep dan verwacht. Kelsey Young, die de wetenschappelijke begeleiding van de missie leidt bij NASA, benadrukte het belang van menselijke observatie. "We zijn in staat om intelligentere vragen te stellen dankzij wat Apollo ons heeft geleerd," aldus Young.
Het maanoppervlak biedt ook een blik op het vroege zonnestelsel. De aarde heeft zijn eigen inslaginsporen verloren door geologische processen maar de maan heeft die geschiedenis intact bewaard. "Die periode in de geschiedenis van onze planeet die we hier niet meer kunnen vinden, zelfs niet in de diepste oceanen, ligt op de maan," aldus Young.
De vijf uur durende vliegpassage is zorgvuldig voorbereid. De bemanning oefende met gesteenteonderzoek in het Ijslandse hoogland en haalde kennis op uit intensieve lessen met planetair geologen. Drie Nikon-camera's met verschillende telelenzen zijn aan boord om inslagbekkens en lavastromen vast te leggen. Meerdere keren per uur geven de astronauten live beschrijvingen van wat ze zien door aan wetenschappers in Houston. "Ze zijn volledig voorbereid om niet alleen wetenschappelijk relevante beschrijvingen te geven maar ook om die ervaring verbaal naar ons hier op aarde te brengen," aldus Young.